Als je niet meer uit de droom ontwaakt…

Het was er donker en de geur die er hing was er eentje van verrotting, schimmel en een beetje zwavel. het leek alsof ik alleen was maar mijn gevoel vertelde mij dat ik bespied werd door tientallen glimmende oogjes. Al die oogjes priemden in mijn rug want al heel snel had ik in de gaten dat het sneaky oogjes waren. Nooit kwam hun blik van voren richting mij. Altijd werd ik op de rug bespied. Beetje heimelijk, wel.
Plotsklaps was daar een weinig licht. Het leek uit een spelonk te komen maar ach, een spelonk… ik begeef me toch verdomme niet in een gruwelverhaal. De spelonk bleek een soort lamp te zijn. Langwerpig, van boven naar beneden en ietwat schuin opgehangen. Mijn associatie met de spelonk was dus niet zo heel vreemd. Wel vreemd waren de vele oogjes die mij nog steeds heimelijk bespiedde. Het vage licht van de lamp gaf in ieder geval een beetje licht. Als ik me razendsnel omdraaide en de oogjes niet de kans bood opnieuw achter mij te kruipen, kon ik iets meer zien. De oogjes waren gevat in gezichten. Diep gezonken in gerimpelde gezichten. Bijna vierkant vormgegeven met een lage haargrens boven een zeer laag voorhoofd. Dat alles was niet wat mijn aandacht trok. Het waren de monden die ik in een flits kon zien. In de hoeken van die monden flitsten kleine beestjes in en uit. Beestjes die op slangen leken maar dan heel klein. Als ik goed luisterde, leken ze ook te sissen. Snel bewogen ze in en uit die mondhoeken onder een zacht gesis. Zeker wist ik het niet want ik zag het in een korte flits. Snel verdwenen de gezichten weer zodra ze oogcontact met mij hadden.

Eén van die knapperts maakte zich los uit de groep. Bijna hoffelijk trad hij me tegemoet. Op beleefde toon vroeg hij wat hij voor mij kon betekenen. Ik overhandigde hem mijn uitnodiging en zei dat ik voor de afspraak kwam.
“O ja, u bent de kankerman die voor de kankerscan komt”, zei hij gedecideerd. “Volgt u mij maar.”
Na hem gevolgd te zijn tot in een duistere ruimte, was hij ineens weer verdwenen. Ik had geen enkel idee waar hij gebleven was. Daar stond ik dan, een beetje verlaten en moederziel alleen in de duisternis. Op het moment dat ik dat dacht, baadde de ruimte ineens in een zee van licht.
“Komt u maar”, klonk een blikken stem in de zee van licht, “gaat u maar liggen en steek de spuit maar in uw arm.”
Ik had geen idee waar het geluid vandaan kwam en nog minder kon ik bedenken waar de stem mij heen wilde hebben. En de spuit? Waar ik ook keek, een spuit kon ik niet ontwaren in deze immense zee van licht. Langzaam drong het tot me door. Denken. Denken is de weg naar kennis. Als ik iets niet wist in deze wereld, hoefde ik maar te denken aan hetgeen ik niet wist en de kennis kwam tot mij. De kennis of de oplossing. De gedachte roept ze op.

Het licht dimde en langzaam voltrok zich een schouwspel voor mijn ogen. Een schouwspel waarin de omgeving vorm en inhoud begon te krijgen. Naast een lange, kunststof tunnel zat een robot geduldig naar mij te kijken. In zijn mondhoek geen slangetjes maar een enkele, dikke sigaar die rokend langzaam korter werd. Zo af en toe trok de robot aan de sigaar, inhaleerde de rook, nam de sigaar met zijn blikken vingers uit de mond en blies een dikke rookwolk uit. Een volmaakte kring van rook stond voor zijn blikken hoofd.

“Komt u maar”, zei hij nogmaals met blikken stemgeluid en wees op de kunststof tunnel. Het leek de bedoeling dat ik plaats zou nemen in die tunnel. Net toen ik aanstalten wilde maken, hoorde ik het blikken stemgeluid zeggen, “Prik eerst de spuit in uw arm en laat de slang er aan zitten.”

Met de spuit in m’n arm en de slang bungelend buiten de tunnel, lag ik te wachten op wat er komen ging. Langzaam schoof ik de tunnel in en toen gebeurde het. Het leek op een film. Een horrorfilm maar al snel realiseerde ik mij dat dit een werkelijkheid was. Een werkelijkheid. Niet zozeer dè werkelijkheid maar een werkelijkheid die ver van ons staat. Kankergezwellen vlogen af en aan door de tunnel. Kankergezwellen drongen mijn lichaam binnen. De slang die aan de spuit zat, joeg bloed mijn lichaam in met een temperatuur van 700 graden celcius en een snelheid van 63 km/seconde waardoor er geen tegenhouden meer aan was. Ik voelde het naar binnen knallen en door mijn aderen jagen. Gelijktijdig met al dat bloederige geweld, bleven de kankergezwellen door de tunnel razen. Rottend vlees, stank en verderf, het kwam allemaal naar binnen. Luid en duidelijk. Met blikken stem en de kleine slangetjes sisten alsof het een lieve lust was. Ik wist het ineens niet meer tot ik het weer begreep. Denken. In deze werkelijkheid moet ik denken. Oplossing en kennis. Ze komen tot mij door er aan te denken.
De snelheid waarmee alles zich afspeelde, belette mij het denken volledig. Het lukte niet meer. De tunnel vulde zich nu met de geur van zwavel. Veel zwavel. Tussen de geur door werd materie geplaatst. Materie als in nog meer rottend vlees, kankergezwellen en afgehakte ledematen. Afgehakte ledematen en geamputeerde organen.

Denken. Ik moet denken en terwijl ik verwoede pogingen deed mijn gedachten op orde te brengen, vulde niet alleen de tunnel maar de gehele ruimte zich met aan kanker lijdende tweeps. Allen mismaakt en misvormt door de vele amputaties en weggerotte ledematen. Geen hulp meer mogelijk. Nooit mogelijk geweest. Hulp was een fabeltje. Volksverlakkerij. Er werd immers niet behandeld. Laat ze maar verrekken, die kankerlijers, ze rotten vanzelf weg en we houden ze bij elkaar zodat ze samen kunnen stinken tot ze volledig vergaan zijn tot een rottende massa vlees.

Eindelijk kreeg ik de controle over mijn gedachten weer terug. Nog even en ik wist weer waaraan ik denken moest. De sleutel, ik moest de sleutel zien te vinden. De sleutel was immers de eenvoud zelve. Mijn gedachten waren de sleutel naar een beter leven. Een beter leven in mijn eigen werkelijkheid. Maar hoe kom ik daar terug? Terug in mijn eigen werkelijkheid? Langzaam zonk ik dieper weg. Verloor het bewustzijn. Ik voelde het zuigen. De priemende oogjes waren terug, ik voelde ze in mijn rug priemen. Nog voor ik wakker werd om me te realiseren dat ik in een droom beland was, stopte mijn ademhaling. Mijn ademhaling stopte net lang genoeg om niet meer op gang te komen.
Nee, geen kanker maar dat is nu ineens van geen enkel belang meer.

16 mei 2011, UMCG Centrum voor Revalidatie, Locatie Beatrixoord, Haren

Advertenties

Over oogwerkdotnl

Levenslustige man, geboren in het jaar 1957 te Vlaardingen. Opgegroeid in Delfzijl en thans levend in de hoofdstad van Friesland. Zowel passief als actief muziekliefhebber. Kan drummen en een beetje gitaar spelen. Andere grote passie is zeilen. Bij voorkeur in een open boot maar vind het ook heerlijk om met een kajuitjacht op zee te zeilen of met een platbodem op het Wad. Gehuwd met Anna Wolthuizen die eind 1995 met een ernstige vorm van MS geconfronteerd werd. Zelf sinds enige jaren ernstige longproblemen. COPD Gold 4. Dit is de laatste fase van deze chronische ziekte. Waar Anna eerst de patiënt was en ik de gezonde partner, lijken de rollen nu wel omgekeerd. Vaak is Anna de betere van ons tweeën. Waar het zal eindigen en wanneer, is door geen mens met enige zekerheid te zeggen. Ook de longartsen kunnen geen enkele prognose schetsen. Dat ik niet heel lang meer te leven heb, denken ze wel te kunnen zeggen maar hoe lang "niet lang meer" dan is, weten ze ook niet. Natte vinger werk dus. En daar moeten we het dan maar mee doen.
Dit bericht werd geplaatst in Laatste gevecht. Bookmark de permalink .

5 reacties op Als je niet meer uit de droom ontwaakt…

  1. Tam zegt:

    Waah? Hans, wat is er met je gebeurt kerel? Had je een ademstilstand?
    Ik kan me er wat bij voorstellen na zo’n -zeer symbolische- droom.
    Hoe gaat het nu dan?

    Sterkte!

    Liefs, Tam

  2. Dirkje zegt:

    Djezus, wat een horrortrip zeg, het was al benauwend om te lezen, laat staat dat je er midden in zit. P.H. Lovecraft is er niets bij en zelfs Stephen King kan nog wel bij jou in de leer. Wat een symboliek, die zich natuurlijk wel laat verklaren, maar dat kun je zelf veel beter dan ik dat kan dus dat ga ik niet doen. Wat ik kan doen is veel aan je denken (dat doe ik) en heel hard hopen (dat doe ik ook ) dat de uitslag negatief is en positief voor jou en wensen (dat doe ik natuurlijk) dat de reis heen en terug een beetje prettig is.
    Maar wat ik het meeste hoop, is dat je deze rotziekte in de hand hebt (en houdt) en dat je nog een heleboel leuke dingen gaat doen met Bella wanneer je je straks beter voelt en weer naar huis gaat. Lieve Hans, aan je moed en doorzettingsvermogen zal het niet liggen, wat dat betreft ben je echt een kanjer.
    Lieve groeten,
    Dirkje

  3. Ans Fidder zegt:

    Dag Hans,
    Wat een stuk Science Fiction zeg!
    Vooralsnog fiction en laten we hopen dat dat ook, op het onderzoek na, zo blijft.
    Heb je last van apneu? Ik heb dat soms als ik op m’n rug in slaap val, het kan heel eng zijn inderdaad, gelukkig wordt ik vooralsnog, net als jij, tijdig wakker.
    Veel sterkte en groeten. Ik weet niet of ik de komende 2 wk je blogs goed bij kan houden, ik ga n.l. een poosje weg.
    Ans.

  4. pat zegt:

    Hans,Anna ook,
    Als je schrijven als het beste middel ziet om je gevoelens in beeldtaal om te zetten, gewoon doen en het maakt volgens mij niet uit wat de lezer ervan vindt. Als je muziek of poezie zou kiezen, je bereikt nooit die 100% die je zou willen, dus het gaat hier niet om de toehoorder maar de uitdrager!
    groetnis,
    pat

  5. pat zegt:

    “And now something totaly different” ‘k Heb dus die xm 2 maar snap de ballen van de bijgeleverde gebr.aanwijzing, dus als je het ziet zitten om …?
    Zie maar…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s